hoogdruktechniek

DE HOOGDRUKTECHNIEK                                                                                                                          (Engels: Relief printing, Frans: Impression en relief, Duits: Hochdruck)

Copyright tekst:  auteur Hans Rensema 

Boekdruk                                                                                                                                                             Rond het jaar 1400 kwam in de Duitse stad Mainz Johannes Gutenberg (eigenlijk Johann(es) Gensfleisch (‘geboren im Hof zum Gutenberg in Mainz’) ter wereld die in de Westerse wereld wordt beschouwd als de uitvinder van de boekdrukkunst dwz. het drukken van teksten met losse loden letters.

imagingservice-1-e1449858100847

Portret van Johannes Gutenberg, kopergravure naar een tekening van André Thevet die in de 17e eeuw in Parijs werd gegraveerd door Nicolas de Larmessin

Deze uitvinding staat dus niet op naam van de Haarlemse drukker Laurens Jansz. Coster (ca.1370 – 1439) zoals veel Nederlanders graag willen geloven omdat dat vroeger zo in de Nederlandse geschiedenisboeken stond en tot in de jaren zestig van de vorige eeuw op scholen werd onderwezen. Sinds 1856 staat er zelfs een standbeeld van hem in Haarlem.

De mythe dat Coster de uitvinder zou zijn ontstond toen de Nederlandse historicus Petrus Scriverius of Scriverii (gelatiniseerde naam van Pieter Schrijver) het boek ‘ Lavre-Kranz Voor Lavrens Koster Van Haerlem, Eerste Vinder vande Boek-Druckerye’ publiceerde waarin hij beschrijft hoe Coster deze uitvinding bij toeval zou hebben gedaan. Zijn vinding zou door ene Fust*) of Faust zijn gestolen en aan Gutenberg zijn doorgegeven. In het boek dat in 1628 werd gepubliceerd door Adriaen Rooman, Ordinaris Stads-Boekdrucker Te Haerlem was ook een prent opgenomen die door Scriverius zelf in opdracht was gegeven waarop we de drukkers van Coster aan het werk zien bij een boekdrukpers. Boven de afbeelding staat vermeld ‘Circà Annum 1440’. (NB. dit is een jaar nadat Coster was gestorven)

*) Gutenberg raakte na de voltooiing van zijn Bijbel in conflict met zijn belangrijkste geldschieter, de rijke Johann Fust. Hij verloor de tegen hem aangespannen procedure en Gutenberg moest toezien hoe Fust en diens schoonzoon Peter Schöffer de drukkerij overnamen. Het is waarschijnlijk dat hij wel bij Fust en Schöffer bleef werken.

011

Prent uit het boek van Petrus Scriverius (1628) waarop drukkers van Laurens Jansz. Coster aan het werk zijn, kopergravure gestoken door Velde (= Jan van de Velde II). Vlnr.: de ‘inkter’ met in zijn handen twee tampons met drukinkt, de drukker en de zetter. De prent werd getekend door Zaenredam. Dit is de bekende Haarlemse schilder van kerkinterieurs Pieter Saenredam waarvan bekend is dat hij zijn werkstukken ook wel signeerde met de naam ‘Zaenredam’

De term ‘uitvinden’ is eigenlijk niet correct, de boekdrukkunst bestond al veel langer. Er werd al gedrukt van blokken hout waaruit complete teksten met of zonder illustraties waren gesneden, de zgn. ‘blokdrukken’. De hoger gelegen letters en lijnen werden ingesmeerd met drukinkt en als een stempel afgedrukt op papier. Een boek dat op een dergelijke wijze is vervaardigd wordt dan ook een ‘blokboek’ genoemd.                                     In China (maar ook in Japan) drukte men in de 9e eeuw  -mogelijk zelfs al vroeger-  van houten blokken op papier, dat eveneens een Chinese uitvinding is.                                                                                                      In tegenstelling tot het drukken met losse tekens (letters) werd in het begin van de vijftiende eeuw wel de Aziatische blokdruktechniek in West-Europa geïntroduceerd en wel door de Arabieren. Deze techniek is veelvuldig toegepast om teksten die meestal van religieuze aard zijn te vermenigvuldigen. Ook werden er de zgn. ‘Kruidboeken’ mee gedrukt. Een ‘kruidboek’, ‘kruidenboek’ of ‘herbarius’ is een geïllustreerd boek waarin planten, met hun eigenschappen en hun gebruik, worden beschreven en weergegeven.

Het corrigeren van fouten is bij deze drukmethode bijzonder moeilijk: een letter weghalen kan nog wel maar een ‘foute’ letter vervangen is vrijwel onmogelijk.

Matrijs & patrijs                                                                                                                                                    De bijdrage van Gutenberg bestond uit het opnieuw (zie hieronder bij ‘Bi Sheng’) uitvinden van de matrijs en de patrijs.

  • De patrijs (letterstempel) is een hardmetalen spiegelbeeldige stempel dat meestal gemaakt is van staal.
  • Een matrijs (lettermoeder) is een koperen plaatje waarin met een patrijs een letter- of leesteken is geslagen, bedoeld om loden letters mee te gieten. De matrijs is hierbij dan het equivalent van de kleitabletjes van Bi Sheng. Het beeld in de matrijs is leesbaar (niet-spiegelbeeldig).

‘Bi Sheng’                                                                                                                                                              Vier eeuwen voor Gutenberg, tussen 1041 en 1048, vond de Chinees Bi Sheng ( 畢昇) die ook wel Pi Sheng wordt genoemd (998-1051) op het Koreaanse schiereiland al het drukken met losse tekens uit. Aangezien er in die tijd, en nog eeuwen daarna, weinig directe contacten waren tussen de Oosterse en Westerse Wereld had dit tot gevolg dat deze uitvinding in het Westen onbekend bleef en als het ware opnieuw moest worden gedaan. Bi Sheng sneed zijn losse tekens (het Chinese schrift kent geen letters) één voor één als positief in kleitabletjes die vervolgens gebakken werden. Dit was zijn ‘matrijs’ (positief), (zie hierboven bij: ‘Matrijs & patrijs’). Als er met een serie losse tekens een tekst was gezet werd daarvan een afgietsel gemaakt. Dit werd gedaan met een verwarmd mengsel dat bestond uit de hars van naaldbomen, bijenwas en de as van verbrand papier dat onder druk in de kleitabletten werd geperst. Nadat het afgietsel (in spiegelbeeld) was afgekoeld en uitgehard kon hiervan een afdruk op papier worden gemaakt. Omdat deze afgietsels nogal kwetsbaar zijn, waren ze ongeschikt om er grote oplages mee te drukken.De methode van Sheng werd door Wang Zhen (1290-1333) verbeterd door de kleitabletjes, die vaak braken bij het maken van het afgietsel, te vervangen door exemplaren van hout. Nog weer later ontwikkelde de drukker Hua Sui (1438-1513) rond het jaar 1490 een methode om in plaats van houten matrijzen, bronzen exemplaren te gebruiken.

Ook ontwikkelde Gutenberg een apparaat waarmee met behulp van matrijzen een vrijwel onbeperkt aantal losse letters konden worden gegoten in een legering van 65 à 70% lood, 20 à 25% antimoon*) en 5 à 10% tin. Deze legering, gedeeltelijk óók een vinding van Gutenberg, wordt letterspecie genoemd.

*)Gutenberg gebruikte waarschijnlijk het niet giftige zware metaal bismut i.p.v. antimoon.

 

Blokboek,_Biblia_pauperum                   Blokboek, pagina uit een Nederlandse ‘Biblia Pauperum’ uit de late Middeleeuwen,                                              Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

Untitled-1

Een stalen patrijs (links) en een koperen matrijs

Matrijzen en gegoten letters

                    Koperen matrijzen en pas gegoten, onbewerkte, loden letters (foto’s: Plantijn-                                                     Moretusmuseum, Antwerpen)

Untitled-2

Het door Gutenberg uitgevonden lettergietapparaat, op de voorgrond liggen vlnr. patrijzen, twee gegoten letters en matrijzen (foto: Plantijn-MoretusmuseumAntwerpen)

 

Het zetten

De zetter had meestal de beschikking over meerdere zetbokken*) met laden (door de zetters kasten genoemd) waarin zich loden letters, leestekens en witregels in allerlei soorten en maten bevonden. De kasten waren op een gestandaardiseerde manier ingedeeld in ondiepe vakjes. Oorspronkelijk bestond een kast uit twee delen. Als een kast op het schuine werkblad werd gezet lagen de ‘kleine’ letters onderaan, de hoofdletters of kapitalen daarboven.
Zo ontstonden de nog steeds in gebruik zijnde benamingen ‘onderkast’ en ‘bovenkast’.

*) De letters in de meeste bokken werden ‘broodletters’ genoemd (= veel gebruikte letters waarmee de drukkers hun dagelijks brood verdienden) en daarnaast een aparte bok waarin de zgn.‘smoutletters’ zaten die werden gebruikt voor speciaal drukwerk.

De zetter gebruikte een zethaak om met de hand de losse letters tot regels te zetten. Deze regels werden verzameld op een ‘galei’ (d.i. een plaat met drie opstaande randen die van metaal of hout is gemaakt). Als een pagina voltooid was werd het zetsel met een touwtje samengebonden. Soms ging er wel eens iets mis tijdens het verplaatsen van de galei naar de pers en viel het opgebonden zetsel uit elkaar; de vakmensen zeiden dan dat het zetsel ‘in pastei’  was gevallen.

De zetter drukte het in een insluitraam vastgezette zetsel meestal eerst af op een proefpers om het resultaat te bekijken en correcties uit te voeren waarna de oplage werd gedrukt in de drukkerij op een productiepers. ‘Foute letters’ werden met behulp van een els (d.i. een priemvormig gereedschap) verwijderd en vervangen. Ook werd daar wel een correctietang (letterpincet) voor gebruikt maar daarbij was de kans op beschadigingen aan de letter tamelijk groot. De zetters noemden dit instrument daarom dan ook niet voor niets ‘de lettermoordenaar’.

Het aparte vakje in de kast waarin deze beschadigde of kapotte letters werden bewaard om later te worden omgesmolten werd door de vaklui ‘de hel’ genoemd.

Na het drukken van de oplage werden de gebruikte letters schoon gemaakt en zorgvuldig gedistribueerd in de vakjes van de kasten om daarna opnieuw te worden gebruikt.

plantin 7BEWDe zetter aan het werk aan de zetbok, de letters worden ‘op de kop’ in de zethaak gezet

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Zethaak met loodzetsel

dresseren opsteenBew                   Dresseren, voordat het zetsel met een sleutel (voorgrond) in het insluitraam wordt vast                                      -gezet wordt met een dresseerplankje en een dresseerhamer de letters allemaal op de                                      zelfde hoogte geklopt.

 

Linotype & Monotype

Omdat het met de hand zetten van teksten een nogal tijdrovende bezigheid was werden er rond de tweede helft van de negentiende eeuw talrijke mechanische lettergietmachines ontwikkeld, waarvan er maar een paar echt succesvol werden.

De naar de Verenigde Staten geëmigreerde Duitser Ottmar Mergenthaler bedacht een systeem waarbij in één keer een hele regel letters (Eng.: a line of type) gegoten kon worden. Deze machine kreeg dan ook de toepasselijke naam Linotype. Bij dit systeem werden de losse lettermatrijzen mbv. een toetsenbord  in de zetmachine al in een juiste volgorde geplaatst, waarna de hele regel met gesmolten lood werd volgegoten. Een groot voordeel van zetsel dat uit complete regels bestaat, is dat het niet zo gemakkelijk ‘in pastei’ zal vallen, zoals dat bij zetsel dat is samengesteld uit losse letters wel het geval is. Een ervaren machinezetter produceerde ongeveer 100-150 regels per uur, of als het om korte krantenregels ging 150-200 regels.

De Amerikaan Tolbert Lanston bedacht een zetmachine die voortborduurde op het zetten met losse letters, de ‘Monotype’. Bij de Monotype tikte de zetter mbv. een toetsenbord  gaatjes in een ponsband. De ponsband zorgde er vervolgens voor dat de juiste lettermatrijs werd volgespoten met letterspecie. De gegoten letters verlieten één voor één de gietmachine en werden tot pagina’s verzameld op een galei. Het Linotype systeem en het sterk daarop lijkende ‘Intertype’, zijn evenals de ‘Monotype’ zogenaamde ‘hete zetmachines’, omdat er gewerkt wordt met gesmolten lood. De loodpot werd in het begin verhit door middel van een gasvlam, later met behulp van elektriciteit. *) Deze mechanische gietsystemen zijn tot aan het einde van het ‘loodtijdperk’, zo rond 1970, in gebruik geweest.

*) Als remedie tegen de giftige looddampen werd het drinken van melk geadviseerd. In de CAO’s van de typografen was er lange tijd een clausule over het zgn. ‘melkgeld’, een aparte vergoeding naast het gewone salaris. 

linotype

Linotype mechanische lettergietmachine

 

Gutenberg

Tussen 1452 en 1455 voltooide de oorspronkelijk als goudsmid opgeleide Johannes Gutenberg zijn beroemde Bijbel die in een oplage van 180 stuks werd gedrukt, grotendeels op kwalitatief hoogwaardig papier en een kleinere luxe oplage op perkament dat gemaakt wordt van kalfshuid dat ook wel ‘velijn’ of ‘velum’ wordt genoemd. Alfred Kapr, een historicus en graficus uit Leipzig heeft in zijn boek: ‘Johan Gutenberg – The Man and his Invention’ berekent dat aan het zetten van de B42, zoals de Gutenbergbijbel ook wel  bekend staat, een half jaar lettergieten vooraf is gegaan en becijfert dat voor de productie van het boek tenminste twintig man nodig waren, waaronder zes zetters. De totale productietijd raamt hij op twee jaar.

De ‘Gutenberg Bijbel’ was daarmee het allereerste boek ter wereld dat geheel gezet was met losse loden letters.

Bij de productie van de boeken werd Gutenberg bijgestaan door de al eerder genoemde Peter Schöffer (ca.1425-1503) die daarvoor als kalligraaf en kopiist had gewerkt in scriptoria in Frankrijk en Duitsland.  (zie ook hieronder ‘Concurentiestrijd tussen monniken en drukkers’ Dat is goed te zien aan de opmaak van de bijbelpagina’s waar duidelijk geprobeerd is om de van oudsher bekende en kostbare handschriften na te bootsen*).Elk vóór 1501 met losse letters gedrukt boek met deze stijlkenmerken wordt een incunabel of wiegendruk genoemd. (‘Wiegen’ komt van kinderwieg: waarmee bedoelt wordt: ‘de babytijd van de boekdrukkunst’)

*) Net zoals bij veel handschriften bestond de platte tekst van elke bladzijde van de Bijbel ook uit twee kolommen tekst elk bestaande uit 42 regels (vandaar de naam B42) en werden er grote (soms met de hand ingekleurde) versierde initialen gebruikt.

Dat men met behulp van deze nieuwe techniek geschriften relatief gemakkelijk en snel kon vermenigvuldigen blijkt bijvoorbeeld wel uit het feit dat Erasmus een halve eeuw na Gutenberg’s Bijbel in 1518 in een paar maanden tijd 24.000 exemplaren van zijn (op klein formaat gedrukte) boek ‘Colloquia’ verkocht.

Gutenberg en zijn voorgangers in China hebben de beschaving een bijzonder grote dienst bewezen. Hun vindingen zijn onmiskenbaar een van de belangrijkste ontwikkelingen in de geschiedenis van de mensheid geweest.

Wie vóór de uitvinding van de boekdrukkunst de boeken en de bibliotheken bezat, had daardoor de macht. Dat waren alleen maar de geestelijken, de adel en in beperkte mate de wetenschappers. Door de ontwikkeling van de boekdrukkunst werd informatie voor een veel breder publiek toegankelijk. Doordat er meer boeken beschikbaar kwamen kon er meer en beter onderwijs aan een breder wordende laag van de bevolking worden gegeven met als gevolg dat langzamerhand steeds meer mensen leerden lezen en schrijven. Wereldlijke en geestelijke machthebbers waren uiteraard niet erg gecharmeerd van deze ontwikkelingen en aangezien er in die tijd nog absoluut geen sprake was van vrijheid van drukpers werden de teksten in de boeken voorafgaand aan publicatie dan ook veelvuldig gecensureerd, een situatie die ook daarna nog lang zou voortbestaan.

                                       Gutenberg_bible_1455

Pagina uit de ‘Gutenberg Bijbel’ uit 1455 met een met de hand versierd beginkapitaal

 

Plantijn &  Moretus

Exact honderd jaar na Gutenberg’s Bijbel ontstaat in Antwerpen, destijds een van de belangrijkste steden van de Spaanse Nederlanden, de eerste grote drukkerij van Noord-Europa. In de stad aan de Schelde stichtte in 1555 de in het Franse plaatsje Saint Avertin geboren Christoffel Plantin (ca.1520-1589) ‘Officina Plantiniana’, een drukkerij, lettergieterij en uitgeverij. Na zijn dood zou het bedrijf worden voortgezet door zijn schoonzoon Jan I Moretus (gelatiniseerde naam van Johannes (Jan) Moerentorf) (1543-1610) . Christoffel Plantijn, zoals hij in de Nederlanden werd genoemd, werkte eerst in Parijs en in verscheidene steden in Normandië om daar het drukkersvak te leren. In 1548/49 trok hij naar Antwerpen waar hij op 21 maart 1550 officieel ‘poorter’ van de stad werd. In het jaar 1570 zou hij door Filips II worden benoemd tot ‘Architypographus Regius’ oftewel ‘Koninklijke Aartsdrukker’. Plantijn was naast een succesvol ondernemer en organisator, ook een humanist die door zelfstudie een rijke intellectuele bagage had opgebouwd. Hij onderhield nauwe contacten met veel van de grote geesten van zijn tijd. In het jaar dat Plantijn stierf heeft de Haarlemse schilder en graveur Hendrick Goltzius (1558-1617) hem geportretteerd en er een kopergravure van gemaakt.

Plantijn was al overleden toen zijn stadgenoot Peter Paul Rubens (1577-1640) het portret schilderde, waarbij hij zich baseerde op een anoniem zestiende eeuws schilderij dat Plantijn toonde op 64-jarig leeftijd. Het schilderij van Rubens bevindt zich tegenwoordig in de collectie van de Leidse Universiteit. Nadat het aan het begin van de tachtigjarige oorlog langzamerhand gedaan was met de winstgevende handel met Spanje liet Plantijn zijn drukkerij over aan twee van zijn schoonzonen, Jan I Moretus en Franciscus Raphelengius (zie hieronder), en vestigde zich in 1583 in Leiden waar hij een tweede drukkerij stichtte en werd aangesteld als de officiële drukker van de pas opgerichtte Universiteit.In 1585 keerde hij al weer terug naar Antwerpen. Rubens schilderde later (eveneens postuum) ook nog het portret van Jan I Moretus

 

Franciscus_Raphelengius

Franciscus Raphelengius (1539-1597)

 

Franciscus Raphelengius de gelatiniseerde naam van Frans van Ravelingen, werkte oa. mee aan de ‘Biblia Polyglotta’ en nam in 1585 de leiding over van Plantijn’s vestiging in Leiden. Raphelengius werd in 1586 aangesteld als ‘Academiedrukker’ en in 1587 werd hij daarnaast ook nog benoemd tot hoogleraar Hebreeuws aan de Leidse Universiteit. In 1597 volgde zijn zoon Christoffel hem op als ‘Academiedrukker’ wat hij tot 1600 bleef.

 

PlantinGolziusPortret van Plantijn door Hendrick Goltzius, kopergravure (1589)

De Antwerpse drukkerij  telde op haar hoogtepunt, zo rond 1573 zestien persen en er waren meer dan 80 werknemers in vaste dienst, een voor die tijd ongekend groot aantal. Zij hadden zelfs een eigen arbeidscontract: de ‘Ordinatie voor de Ghesellen der Plantynsche Drukkerye’, wat de allereerste C.A.O. ter wereld was. Naast het inwonend winkel- en huispersoneel en de externe boekbinders en graveurs,

Chrisophe_Plantin_(Rubens)

                    Portret van Christoffel Plantijn met in zijn handen (net als op de prent van Goltzius)                                             twee voorwerpen: een boek als symbool voor zijn vak en een passer als verwijzing                                           naar de naam van de drukkerij ‘de Gulden Passer’, schilderij van Rubens, olieverf                                             op doek, collectie van de Rijksuniversiteit Leiden

800px-Jan_(I)_Moretus)_by_Peter_Paul_Rubens                      Jan I Moretus, drukker en uitgever in Antwerpen, schilderij van Rubens, olieverf op                                           doek, ’Plantijn-Moretusmuseum’, Antwerpen

bestond het personeelsbestand van de drukkerij  in die tijd uit 56 man: 32 drukkers, 20 zetters, 3 proeflezers (= correctoren die de drukproeven lazen) en één niet-gekwalificeerd werkman. Plantijn’s drukkerij  ‘De Gulden Passer’ was daarmee niet alleen de grootste maar ook best georganiseerde drukkerij van zijn tijd. Naast een meertalige Bijbel, de ‘Biblia Polyglotta’ (ook wel: ‘Biblia Regia’)  en de allereerste Nederlandstalige woordenboeken, drukten Plantijn en Moretus de werken van o.a. de wiskundige Simon Stevin en Justus Lipsius (Jodocus Lips), de belangrijkste humanist van de Zuidelijke Nederlanden na Erasmus. In 1584 drukte Moretus diens voornaamste werk ‘De Constantia’ en in 1585 zijn verzamelde werken getiteld ‘Opera Omnia’. Ook verzorgden Plantijn en Moretus de heruitgave van de boeken van de anatomen  Andreas Vesalius en zijn tijdgenoot Juan Valverde.

plantin 3Drukkerij en zetterij (links) in het ‘Plantijn-Moretusmuseum’ in Antwerpen

 

principe van de hoogdruk-/boekdruktechniek

Schema

 

Untitled-4

                                                 Boekdrukpers uit de 18e Eeuw, gravure,  afbeelding uit de                                                                                    ‘Encyclopédie’ van Diderot & d’Alembert

 

‘Concurentiestrijd tussen monniken en drukkers’

Toen er aan het eind van de Middeleeuwen een steeds grotere vraag ontstond naar boeken, ging men zoals we zojuist gezien hebben op zoek naar methodes die minder tijdrovend en kostbaar waren dan het kopiëren met de hand. Het kopiëren van handschriften werd veelal gedaan door monniken die werkten in een aparte ruimte van het klooster, in het zgn. schrijfatelier of ‘Scriptorium’. (er bestonden ook wereldse scriptoria) In het klooster bevinden de schrijfateliers zich meestal bij of in het ‘Tabularium’ oftewel de bibliotheek.

Tijdens zijn leven kopieerde een monnik meerdere boeken die hij soms op aanwijzingen van de rubricator *) ook verluchtte. Dit deed hij door kleine voorstellingen als versiering te schil-deren en deze soms op te hogen met bladgoud. Vaak werd dit werk gedaan door een
specialist op dat gebied: de miniaturist.

*) Een rubricator was een monnik of later een medewerker van een drukkerij die met rode
inkt alle hoofdletters in de platte tekst markeerde en de plaatsen aangaf waar
versieringen moesten komen.
Hoe het toeging in de Middeleeuwse sciptoria is bijzonder treffend beschreven door
Umberto Eco in zijn boek: ‘Il nome della rosa’ (‘De naam van de roos‘) uit 1980 dat in
1986 historisch verantwoord werd verfimd door de Fransman Jean-Jacques Annaud .

De uitdrukking ‘monnikenwerk’ stamt dan ook uit deze tijd.

Dat de overgang van met de hand gekopieerde geschriften naar gedrukte boeken niet overal even harmonieus verliep blijkt wel uit de situatie in een stad als Maastricht.

In dit katholieke bolwerk kregen drukkers pas vanaf het begin van de zeventiende eeuw  vaste voet aan de grond. Rond 1470, toen in Utrecht, Delft en Gouda al drukkerijen gevestigd waren*), ontstond er in Maastricht een hevige concurrentiestrijd tussen de schrijfateliers van o.a. het ‘St. Servaas Kapittel’ en drukkers die zich binnen de stadsmuren wilden vestigen.

Ook de Luikse bisschoppen, ‘medeheren’ in de stad, waren in eerste instantie op zijn zachts gezegd niet erg gecharmeerd van drukkerijen  in hun territorium.  Deze strijd duurde tot 1551 toen de drukker Jacop (Jacob) Baethen (Bathen) (ca.1525 – ca.1558), een eeuw na Gutenberg’s Bijbel, zich op aandringen van het stadsbestuur en met toestemming van de toenmalige bisschop van Luik eindelijk mocht vestigen in de mooie stad aan de Maas.

skryptoriumBEW ZW.W

Een kopiist aan het werk in het Scriptorium van het Tabularium,
Jean Mièlot, kanunnik van de Kathedraal van Lille

Voor die tijd was hij drukker/boekverkoper geweest van de Universiteit van Leuven (‘Studium Generale Lovaniense’). Baethen die ook wel Batius of Bathenius werd genoemd vertrok (waarschijnlijk) vanwege de houding van de kapittels (deze aanname valt niet meer te bewijzen maar lijkt zeer aannemelijk te zijn)  drie of vier jaar later al weer uit de stad om zich in de Duitse stad Düsseldorf te vestigen waarna Maastricht nog eens gedurende een periode van meer dan 40 jaar opnieuw geen stadsdrukker had. Met de komst van de Antwerpse drukker Jan van Ghelen III kwam er in1597/’98 pas een einde aan deze situatie.

*) In 1477 verscheen in Delft een Nederlandse Bijbelvertaling die was gedrukt door Jacob Jacobszoon van der Meer en Mauricius Yemantszoon Middelborch. Dit boek wordt beschouwd als het eerste in Noord-Nederland geproduceerde drukwerk.

 

Houtsnede

(E: Woodcut, Fr: Gravure sur bois (de fil), gravure en taille d’épargne, D: Holzschnitt)

De oudste druktechniek is de houtsnede, die ook wel xylographie wordt  genoemd naar het Griekse woord ‘xylos’ dat  ‘hout’ betekent.  Het procédé kan zoals gezegd het best worden vergeleken met een stempel. De oudst bekende houtsnedes komen uit China en het oudst gedateerde exemplaar daar stamt uit het jaar 868. Als eerste Europese houtsnede wordt de religieuze prent ‘Brusselse Madonna’  beschouwd  die door een onbekende meester werd gemaakt in 1418. Op een gladgeschuurd blok hout wordt een tekening gemaakt, en met scherpe beitels en gutsen wordt het hout rondom de lijnen weggesneden. Als men nu met een roller of met een tampon drukinkt aanbrengt, nemen alleen de hooggelegen delen (lijnen en vlakken) de inkt aan. Vandaar de term ‘hoogdruk’. Voor het afdrukken van een hoogdruk is geen hoge druk nodig; een simpele pers volstaat al, en er kan zelfs al een afdruk worden gemaakt door met een roller of met de hand het papier stevig op het ingeïnkte blok te drukken. De afdruk is een voorstelling in spiegelbeeld.

Voor houtsnedes wordt zogenaamd ‘langshout’ gebruikt, dat wil zeggen hout dat als een plank uit de lengte van een boom is gezaagd. De nerven in een dergelijk stuk hout lopen evenwijdig aan het beeldvlak, zodat bij het wegsnijden de kans op splinteren nogal groot is. Het laten staan van dunne zwarte lijntjes is dan ook erg moeilijk. In het algemeen werkt men dan ook met relatief grote vlakken en vormen. Dat met deze druktechniek desondanks toch wel  fijnzinnige illustraties kunnen worden gemaakt bewijzen de schitterende prenten in het beroemde anatomieboek van Andreas Vesalius: ‘De Humani Corporis Fabrica’ (1543).

Brussels-madonna-virgin-saints-garden-1418-1460

‘Brusselse Madonna’, oudst bekende Europese houtsnede, 1418

fabrica_164_lg

prent uit ‘De humani corporis fabrica’ van Andreas Vesalius

 

Kleuren houtsnede

Bijna honderd jaar na de oudst bekende Nederlandse houtsnede vroeg de Italiaanse schilder en graficus Hugo (Ugo) da Carpi in 1516 een patent aan bij de Senaat van Venetië om zo het alleenrecht te krijgen om kleuren houtsnedes te drukken. In die tijd maakte hij veel van dit soort prenten nav. tekeningen van bekende meesters zoals de schilders Raphael, Titiaan en Parmigianino. (zie de figuren hieronder) Het betrof hier de ‘Xilografia Chiaroscuro’ (Italiaans: chiaro =‘licht’; scuro =‘donker’)  of zoals in  Nederland wordt gezegd: ‘clair-obscur houtsnede’, een techniek waarbij met meerdere houtblokken een kleurendruk kan worden gemaakt.

De clair-obscur houtsnede werd gedrukt met verschillende gradaties van slechts één kleur in combinatie met zwart (voor elke kleurgradatie werd telkens één zgn. toonblok gesneden). Daarbij gaf men de voorkeur aan een viertal  kleuren: bruin, grijs, groen of sepia. Het laatste blok met de kleur zwart noemde men het lijnblok. Dat Hugo da Carpi niet de uitvinder van deze techniek was blijkt wel uit het feit dat in Noord-Europa al vóór 1510 kunstenaars als Hans Burgkmair der Ältere, Hans Baldung Grien, Lucas Cranach en Hans Wechtlin prenten hadden gemaakt in deze techniek.

woodcut da Carpi 2x

       Clair-obscur houtsnedes van Hugo da Carpi, links de Heilige Hiëronymus (1516 ) naar Titiaan, rechts Diogenes (ca.1527) naar Parmigianino

 

Houtgravure

(E: Woodengraving, Fr:  Gravure sur bois debout, D:  Holzstich)

In de literatuur over grafische technieken wordt veelal vermeld dat deze techniek in de achtiende eeuw werd ontdekt door de Engelse ornitholoog en houtgraveur Thomas Bewick die leefde van 1753 tot 1828. Er wordt dan geschreven dat hij had ontdekt dat met een burijn, het gereedschap van de kopergraveur, in hard ‘kopshout’  wèl heel fijne arceringen konden worden aangebracht. Er is sprake van ‘kopshout’ als er uit een boom geen planken, maar plakken worden gezaagd. De houtnerven staan dan loodrecht op het beeldvlak, zodat er bij het snijden en steken minder splinters ontstaan en er dus veel nauwkeuriger kan worden gewerkt.

Hoogstwaarschijnlijk wordt dan bedoeld dat dit gold voor het vervaardigen van grote(re) gedetailleerde  illustraties. Geruime tijd voor de ontdekking van Bewick werd de techniek al toegepast op kleine formaten zoals blijkt uit het zeventiende-eeuwse versierde beginkapitaal hieronder. Deze initialen werden gemaakt en gebruikt door de Amsterdamse drukker Paulus Aertsz. van Ravesteyn.

De kapitalen zijn weliswaar uitgevoerd als houtsnede maar een dergelijk verfijning is alleen maar mogelijk als er naast gutsen en beitels ook burijnen worden gebruikt en er in kops hout wordt gestoken. Naast Amsterdam werkte van Ravesteyn ook in Leiden waar hij de eerste Statenbijbel *) drukte die in 1637 verscheen en waarin bovengenoemde initialen werden gebruikt.

*)  De redacteuren van deze nieuwe Bijbelvertaling waren hoofdzakelijk afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden en gebruikten bij hun werk het Latijns-Nederlandse woordenboeken van Plantijn en Moretus. (‘Dictionarium teutonico-latinum’, 1574 – Etymologicum Teutonicae Linguae, 1599) De taalstandaard van de woordenboeken was in hoofdzaak ontleend aan het Vlaams en het Brabants en de Statenbijbel zorgde er voor dat deze zuidelijke blauwdruk voor een Nederlandse eenheidstaal het noorden bereikte.

Dat de originaliteit van Bewick omstreden is blijkt ook wel uit het gegeven dat een aantal houtgraveurs die voor de Duitse kunstenaar Hans Holbein II ((1497-1543) werkten ook al met burijnen in kopshout prenten hebben gestoken. Met burijnen zijn dermate fijne arceringen mogelijk dat er een suggestie van grijstinten ontstaat. Hierbij geldt dat hoe harder de houtsoort is, des te fijner en scherper de lijnen kunnen worden gestoken. Om die reden werd er voor zeer gedetailleerde illustraties vaak gekozen voor het bijzonder harde bukshout maar ook voor peren- of kersenhout. Een houtgravure wordt op dezelfde manier afgedrukt als een houtsnede en is dus een vorm van hoogdruk, niet te verwarren met een gravure in metaal die als diepdruk wordt afgedrukt.

l325-27eBEW

Burijn, boven: bovenaanzicht, onder: zijaanzicht

 

vanRavesteyn17e eeuws beginkapitaal, gebruikt door Paulus Aertsz. van Ravesteyn in de Statenbijbel, houtsnede / houtgravure                                                                    

 

De houtgravure werd niet alleen gebruikt om er boeken mee te illustreren maar werd ook op grote schaal in kranten en later in tijdschriften toegepast. De houtgravure nam daarbij de plaats in die de fotografie tegenwoordig heeft. De opkomst van de fotografie betekende dan ook vrijwel het einde van deze druktechniek. (zie ook ‘Cliché’s’)

Galvano

De drukvormen van de houtsnede en de houtgravure zijn niet geschikt voor het drukken van hele grote oplages omdat het materiaal relatief snel slijt. Daarom werden er vanaf de negentiende eeuw van de houten drukvormen duplicaten gemaakt door middel van de zgn. ‘galvanoplastiek’.

De oorspronkelijke drukvorm werd in een dunne plak bijenwas geperst waarna de wasvorm met grafietpoeder werd bestoven om deze elektrisch geleidend te maken en vervolgens in een koper- of nikkelbad gehangen. Tijdens de doorvoer van een elektrische stroom sloeg een dun laagje koper of nikkel neer op de wasafdruk en werd er zo een exacte metalen replica van het origineel gevormd.

Vervolgens werd de dunne laag koper of nikkel aan de binnenkant opgevuld met letterspecie. Na te zijn afgekoeld werden de resten van de waslaag met heet water verwijderd en bevestigde men de galvano op een houten of metalen voetstuk om de drukvorm op letterhoogte te krijgen zodat deze samen met het letterzetsel in één drukgang kon worden afgedrukt.

Clichés

Na de uitvinding van de fotografie werd het mogelijk om drukvormen te maken van bestaande afbeeldingen zoals (lijn) tekeningen, schilderijen, foto’s etc. Voor het drukken van een afbeelding die uit lijnen bestaat werd gebruik gemaakt van het lijn-cliché, voor het drukken van halftonen in boekdruk, bijvoorbeeld voor het reproduceren van foto’s of schilderijen, werd gebruik gemaakt van rastercliché’s.

Lijncliché

(E: Line engraving, line block, Fr:  Gravure au trait, D:  Strichätzung)

Hierbij wordt een koper- of zinkplaat voorzien van een lichtgevoelige laag. Door middel van fotografie wordt het negatief van het origineel overgebracht op de metalen plaat. De belichte lijnen, dat wil zeggen de zwarte lijnen van het origineel, worden zuurbestendig, en de niet belichte delen kunnen in een zuurbad worden weg geëtst.  De oorspronkelijke lijntekening komt daardoor iets hoger te liggen dan de rest en kan dus als hoogdruk worden afgedrukt.

Rastercliché of autotypie

(E: Halftone engraving, Fr:  Similigravure, D:  Rasterätzung)

Bij een rastercliché wordt met behulp van fotografie een gerasterde drukvorm geëtst op een metalen plaat. Hierbij staan de rasterpuntjes op vaste afstanden van elkaar, maar zijn verschillend van grootte. Donkere partijen bestaan uit bredere punten en lichte partijen uit dunne puntjes met meer “wit” ertussen. Zo ontstaat de suggestie van grijswaarden, terwijl alles toch gewoon met zwarte inkt wordt gedrukt. Deze techniek werd in 1881 door Georg Meisenbach (1841-1912) uitgevonden en gepatenteerd  en was lange tijd de meest gebruikte methode om grijstinten te drukken in de boekdruktechniek. De autotypie was in gebruik totdat de boekdruk werd verdrongen door het moderne offset procédé.

In 1883 verscheen de eerste gerasterde foto ooit in een Duitse krant. Deze werd door Meisenbach in zijn ‘Leipziger Illustrierten Zeitung‘ gepubliceerd.

 

autotypie1Principe van de autotypie, links de sterk uitvergrootte rasterpuntjes

 

 

BRONNEN HOOGDRUKTECHNIEK

F. van der Linden (1980)
‘De grafische technieken’ (Cantecleer Handboeken deel XII)
Uitg.: Cantecleer, De Bilt, Nederland

J. te Kiefte (1986)
‘In grote lijnen’ Teken- en schildermaterialen – Grafische technieken
Uitg.: Walva – Boek (Walva Vaassen B.V.), Apeldoorn, Nederland

A. Kapr (1996)
‘Johan Gutenberg – The Man and his Invention’
Uitg.: Aldershot: Scolar Press, UK.

W. Oosterbaan (1996)
‘De eerste losse letter’
NRC 30 augustus 1996

G.A. Lindeboom (1974)
‘Boerhaave: Author and Editor’
Bull. Med. Libr. Assoc. 62(2) April 1974

B.J.P.S. Salemans (1989) (Thesis)
‘Jacob Bathen, Printer, Publisher and Bookseller in Louvain, Maastricht and Düsseldorf’                                     Quaerendo, XIX, 1989 (pp. 3-4)

P. J. H. Ubachs (2000)
‘Handboek voor de geschiedenis van Limburg’
(Maaslandse Monografieën – 63) pp. 166, 233
Uitg.: Uitgeverij Verloren, Hilversum, Nederland

A, Hyatt Mayor (2013)
‘Prints and People’
A Social History of Printmaking
Uitg.: Metropolitan Museum of Art, New York, U.S.A.

S. Langereis (2014)
‘De woordenaar’ – Christoffel Plantijn 1529 -1589 –
Uitg.: Uitgeverij Balans, Amsterdam, Nederland

H.W. Lintsen (red.) (1993)
‘Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890’
Deel II Gezondheid en openbare hygiëne. Waterstaat en infrastructuur. Papier, druk en communicatie.
Uitg.: Walburg Pers, Zutphen, Nederland

E.H. Berninger (1990)
“Meisenbach, Georg”
Neue Deutsche Biographie 16 , S. 684 (1990)
URL: http://www.deutsche-biographie.de/pnd116863684.html

Het Geheugen van Nederland
URL.: http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/homepage

‘De Poefpers’
© 1973 – 2014 Thony van Gerwen
URL.: http://www.de-proefpers.nl/index.html

On Books & Streets – An approach to Cultural History
by Jaap Harskamp and Paul Dijstelberge
URL.: http://abeautifulbook.wordpress.com/category/illustrations-engraving/
https://abeautifulbook.wordpress.com/2013/12/

KB Koninklijke Bibliotheek – Nationale bibliotheek van Nederland
URL: https://www.kb.nl

‘Gedrukt in Maastricht’,
een project over de rijke geschiedenis van het boekdrukken in Maastricht
URL.: http://www.gedruktinmaastricht.nl/

Grafisch Woordenboek
URL.: http://www.grafischwoordenboek.nl/index.php